
Onder het motto Back to Basics plaatst Marc De Vos stevige vraagtekens bij “het aanzwellende geluksdiscours”. Economische groei is de “onontbeerlijke drijfkracht die de realisatie van persoonlijk geluk mogelijk maakt”, aldus De Vos. “Een overheid die prioriteit geeft aan geluk in plaats van aan groei is een overheid die klaar is om een lagere levensstandaard aan te nemen voor haar burgers.” De politiek moet zijn handen afhouden van “geluk” en kan zich beter concentreren op de groei van het BBP. Sterke uitspraken! Maar krijgen we ook sterke argumenten? Niet echt. De stelling van Marc De Vos dat de hoogte van het BBP “een objectieve en globale maatstaf is, terwijl andere parameters van vooruitgang meer politiek, subjectief en/of persoonlijk zijn”, berust op even kromme redeneringen als de idee dat het Bruto Nationaal Geluk onze beste maatstaf zou zijn.
Marc De Vos stelt dat je “geluk” niet voldoende kan definiëren en meten om er een betrouwbaar beleidsinstrument van te maken. Sterker, geluksmetingen zijn “inherent onbetrouwbaar”. Tja, als dàt juist is, waarop baseer je dan een uitspraak zoals “economische groei is de onontbeerlijke drijfkracht die persoonlijk geluk mogelijk maakt”? Ik maak een fictieve vergelijking. Veronderstel dat onze vrienden Jan en Mieke met elkaar van mening verschillen over blablablob. Mieke zegt: “Jan, we moeten zoveel mogelijk blablablob verzamelen!”. En Jan riposteert: “Lieve Mieke, je kan me niet eens uitleggen wat blablablob precies is, en we zijn met de beste wil van de wereld niet in staat om op te meten hoeveel blablablob we hebben. Eén ding weten we heel zeker, dat blijkt uit allerlei metingen: we moeten economische groei hebben als we blablablob willen.” Zouden we Jan’s redenering niet vreemd vinden, gebaseerd op nogal tegenstrijdige argumenten? Dezelfde tegenstrijdigheid ondermijnt naar mijn gevoel het essay van Marc De Vos over geluk.
Nu heb in een jaar geleden (in Samenleving en Politiek) uitdrukkelijk gesteld dat “zoveel mogelijk geluk” geen heldere doelstelling is voor politiek. Politici die voortdurend met de vlag van het geluk zwaaien, zullen zelfs niet geloofd worden. Maar dat maakt van het BBP nog geen goed alternatief. Was er de voorbije 30 jaar meer vooruitgang in de Verenigde Staten of in Frankrijk? Als je naar het Bruto Nationaal Inkomen kijkt, dan was er meer vooruitgang in de VS. Het gemiddelde reële inkomen groeide in de VS met 32,2% tussen 1975 en 2006, en slechts met 27,1% in Frankrijk. De Amerikaanse groeiprestatie was dus sterker dan de Franse. Maar als we de rijkste 1% buiten beschouwing laten, dan groeide het Amerikaanse Bruto Nationaal Inkomen slechts met 17,9% en het Franse met 26,4%. Met andere worden, als je de top 1% buiten beschouwing laat, dan draait de beoordeling om. Om te beoordelen of de VS méér vooruitgang geboekt hebben in algemeen welzijn dan Frankrijk, dan wel omgekeerd, moet je een uitspraak doen waarbij je het welzijn van de top 1% afweegt t.a.v. het welzijn van de andere 99%. Dat zal Marc De Vos niet ontkennen. Maar zodra het herverdelingsprobleem gesteld is, is ook het welzijnsprobleem gesteld. Immers, een overheid die wil herverdelen – of het herverdelen ver gaat of niet ver gaat – zal daarbij een of andere opvatting over het welzijn van mensen moeten hanteren. Zo’n overheid moet dan beslissen wàt de maatstaf is waarmee ze ongelijkheid vaststelt en wàt ze wil herverdelen. Gaat dat alleen maar over inkomen? Of ook over gezondheid? Over onderwijs? Over kansen op werk en kwaliteit van werk? De idee dat een overheid zich best zoveel mogelijk onthoudt van oordelen waarbij het welzijn van mensen op een of andere manier op een weegschaal komt, is een non-starter. Dat leg ik uit in mijn reactie op het essay van Marc De Vos, een reactie die Itinera zonet publiceerde. Wie dat gaat lezen, zal het misschien een nogal taai en saai stuk vinden. Omdat helder denken cruciaal is in eender welk debat, pleit ik daarvoor ook in dit debat. Dat levert niet meteen swingende literatuur op. Ik ga in mijn bijdrage vooral in op de vraag wat het sociaaleconomische beleid moet doen met de geluksagenda, en welk economisch onderzoek daarbij relevant is. Het toeval wil dat Vlaamse en Franstalige economisten interessant onderzoek publiceren hierover (ik verwijs naar Erik Schokkaert, François Maniquet, Koen Decancq, Luc Van Ootegem, Elsy Verhofstadt…), in het spoor van een nauwgezette Franse wetenschapper, Marc Fleurbaey. Dat onderzoek toont aan dat maatstaven voor welzijn niet noodzakelijk paternalistisch moeten zijn, dat ze alleen maar uit de hoge hoed van kamergeleerden of overijverige politici getoverd kunnen worden zonder rekening te houden met de voorkeuren van mensen.
Marc De Vos meent dat een overheid die een andere maatstaf van vooruitgang in de plaats wil stellen van het BBP zich niet alleen vergist omdat ze het onmeetbare toch probeert te meten, maar haar boekje ook principieel te buiten gaat. Zo’n overheid geeft toe aan een verleiding die paternalistisch en à la limite totalitair is. Marc De Vos gaat daarbij uit van een diepe tegenstelling tussen de “geluksmeters” enerzijds en de visie van een “liberal” anderzijds. Met de Engelse uitdrukking “liberal” bedoel ik niét de economische doctrine dat de vrije werking van markten slechts minimaal gestoord mag worden door overheidsoptreden. Liberal staat voor respect voor de verscheidenheid aan opvattingen die mensen hebben over een goed leven. Liberal betekent dat je de voorkeuren van mensen respecteert. Je kan niet opleggen dat mensen “tevredenheid” of “geluk” als doelstelling moeten nemen. In deze zin ben ik ook een liberal. Maar is de tegenstelling tussen het in kaart brengen van welzijn en respect voor individuele voorkeuren wel zo absoluut? Sluit het ene het andere uit? In een naïeve benadering van het “meten” van welzijn – als dat opgevat wordt als een “rekenkunde van het geluk” – is dat inderdaad zo; of dat per se zo hoeft te zijn is een andere vraag. De economische onderzoekers waar ik hoger naar verwees, proberen op een niet-paternalistische manier welzijn en verdeling van welzijn in kaart te brengen. In de benadering van Fleurbaey en zijn collega’s, die ik kort toelicht in mijn reactie op Marc De Vos, schuilt ook de mogelijkheid om alternatieve maatstaven voor vooruitgang te berekenen, die verschillend zijn van het Bruto Binnenlands Politiek, zonder dat de berekening een of andere opvatting van welzijn op paternalistische wijze “forceert”. Of dat echt zal lukken, weet ik niet. Maar het is een interessant piste.
In mijn reactie pleit ik voor Back to Basics in onze economische argumenten, maar ook Back to Basics in onze visie op politiek. Politiek moet instaan voor een rechtvaardige samenleving en dat kan je niet herleiden tot “zoveel mogelijk geluk”. Anderzijds zou het vreemd zijn als we beduidend minder geluk aantreffen in een samenleving die we rechtvaardig achten, dan in een andere samenleving, die we niet rechtvaardig vinden. Nadenken over het geluk in de samenleving levert dus een kritische spiegel op voor onze gangbare opvattingen over rechtvaardigheid en vooruitgang. Laat ons daarover niet geringschattend doen. Ik ben het niet eens met Richard Layard wanneer hij “zoveel mogelijk geluk” promoveert tot dé beleidsdoelstelling, maar over het belang van zekerheid en innerlijke rust schrijft hij boeiende dingen, die bv. doen nadenken over de manier waarop we omgaan met mensen in hun werk. Die klok mag ook gehoord worden.
Dat neemt niet weg dat ik denk dat de politiek best niet te opzichtig met de vlag van het geluk zwaait. Politici die dat doen, zullen door de mensen hoe dan ook niet geloofd worden. Er is veel onzekerheid in onze samenleving, en dat heeft vermoedelijk te maken met het feit dat mensen op grote schaal beseffen dat onze rijkdom kwetsbaar is, of breder, dat vertrouwde maatschappelijke posities en verhoudingen kwetsbaar zijn. Met luide stem een politiek van het geluk proclameren biedt evenmin een afdoende antwoord daarop, als met de vlag van het BBP zwaaien.
Een paradox van de welvaartsstaat is dat langer leven – wat onder meer te maken heeft met betere gezondheid en leidt tot meer vrije tijd – niet leidt tot een groeiend besef van “geluk” of “tevredenheid”. In discussies over vergrijzing moeten we het daarom zeker hebben over welzijn, en niet alleen over het inkomen dat samenhangt met werk of pensioen. Ten eerste, omdat de verhoging van de levensverwachting een vorm van vooruitgang inhoudt die als zodanig zou moeten erkend worden – ook al gaat die boodschap misschien in tegen het overheersende gevoel dat “we achteruit gaan”. Ten tweede, omdat we moeten nadenken over wat het vooruitzicht van een hoge leeftijd betekent, gegeven dat daar voor heel wat mensen ook een lange periode van fragiliteit mee samenhangt. Ten derde, omdat het pensioencontract een contract is over verdeling van geld én tijd en niet over verdeling van geld alleen.
Er is natuurlijk nog een andere reden waarom het BBP geen vlag is om mee te zwaaien. De vraag is of groei duurzaam is: niet gebaseerd op steeds oplopende private en/of publieke schulden, niet gebaseerd op het voor ons uitschuiven van onhoudbare klimaatrisico’s. Intuïtief ben ik het niet oneens met de stelling van De Vos dat economische groei een uiting vormt van dynamiek in een samenleving die méér is dan louter economische dynamiek; dat samenlevingen in de voor ons afzienbare toekomst deze dynamiek van creativiteit en vooruitgang nodig hebben. Echter, een overheid die deze dynamiek wenst, zal publieke doelen moeten formuleren die niet herleid kunnen worden tot “het BBP moet groeien”. Zeggen dat de hoogte van het BBP daarom onze beste maatstaf is, berust op een even kromme redenering als zeggen dat het Bruto Nationaal Geluk onze beste maatstaf is.
Lees de volledige discussiepaper op www.itinerainstitute.org
| 01 |
KL: 25/01/2012 at 22:03 |

|
|
Laurent Hanseeuw Fellow Itinera Institute |
||
|
Ivan Van de Cloot Chief Economist Itinera Institute |
|
Fons Leroy Managing Director VDAB |
||
|
Karel Volckaert Director of Research at Strategus |